m y s t e r i u m
c o e n v e r m e e r e n
De twee werken op deze opname staan sterk in verbinding met elkaar. Beide zijn geschreven voor de Advents- en Kersttijd, en ze delen hetzelfde tekstmateriaal. Qua opzet verschillen ze echter sterk van elkaar: het eerste werk bestaat uit korte delen, die ook afzonderlijk zijn uit te voeren en uitstekend passen in de Rooms-Katholieke liturgie. Het tweede werk is veel groter van opzet, reflectief en meditatief van karakter en in de praktijk minder eenvoudig uitvoerbaar.
In 1995 componeerde Vermeeren het introïtusmotet Ex ore infantium. Hij schreef dit werk ter gelegenheid van de verjaardag van mevrouw De Graauw op 28 december, het feest van Onnozele Kinderen. Als basis hiervoor gebruikte hij het gregoriaanse introïtus voor die dag, genomen uit de Graduale Romanum. De melodie ligt in de alt, de andere stemmen volgen homofoon met ondersteundende harmonieën. Na de eenstemmig gezongen psalmodie volgt een kort deel zonder gregoriaans, waarna de melodie terugkeert voor het laatste deel.
De opzet van dit stuk beviel Vermeeren zo goed dat hij besloot tot het componeren van een volledige cyclus van 14 Introïti voor Advent en Kerst. Van deze serie vormt Ex ore infantium de afsluiting. De stukken zijn elk geschreven voor vijf stemmen, voor deze gelegenheid voor alleen mannenstemmen, waarvan er steeds één de gregoriaanse melodie vertolkt. Deze cantus prius factus is steeds de leidende stem. De grote ritmische flexibiliteit (in de delen met gregoriaans is geen maatsoort aanwezig) vergt van de andere stemmen een zeer soepele en dienende manier van zingen. In dit opzicht, en ook harmonisch gezien, verschillen deze werken van de op gregoriaans gebaseerde motetten van componisten als Maurice Duruflé. De 'moderne' delen, zonder gregoriaanse melodie, staan in sterk contrast met de rest van elk stuk.
Het centrale werk op deze opname, Mysterium nativitatis Domini (2002),
is een motet dat reflecteert op het kerstverhaal. Het is tevens gebaseerd
op de Introïti-cyclus: teksten hieruit zijn op een caleidoscopische manier
verwerkt, met regelmatig zijn ook flarden gregoriaans te horen. Caleidoscopisch
is ook het klinkende resultaat. Toch is het Mysterium gecomponeerd volgens
een strakke, symmetrische vorm, door de componist zelf omschreven als
een kristal. Dertien van de veertien introïti zijn erin terug te vinden.
Ex ore infantium ontbreekt, maar daar staat tegenover dat Dum medio silentium
('midden in de stilte') zowel aan het begin als aan het einde een plaats
heeft gekregen. Van begin tot einde loopt een chromatische lijn omhoog,
symbolisch voor het opstijgen van de mens naar het licht. Deze lijn loopt
via de moeder, de Heilige Maagd. Als centraal deel van het werk koos Vermeeren
daarom voor zijn reeds in 1992 gecomponeerde antifoon Ave Maria, voor
vierstemmig koor en sopraansolist. Symmetriek zit ook in de uitvoeringsduur
van de compositie: de delen aan weerszijden van het Ave Maria duren beide
ongeveer zes minuten.
O Magnum Mysterium was zijn eerste compositie gecomponeerd in 1989, opgedragen aan de Cantorij van het Sacramentskoor, later de Choralen van de Grote of O.L.V. Kerk Breda. Het werd uitgevoerd door het Saint Johns College Choir Cambridge op Radio 4 in 2001.
Coen Vermeeren, die als ingenieur beschikt over een gevoel voor wiskundige orde, wilde met deze strakke opzet het Mysterium vormgeven als een mantra. De kristalvorm staat symbolisch voor 'het mysterie van Gods geboorte': onverklaarbaar en van een ongekende schoonheid, maar met daarachter verborgen een duidelijk plan.